Thema Nederland en de Hollandse markt
We starten na de meivakantie met de kaart van Nederland. Aan de ouders wordt gevraagd als ze ergens zijn geweest, een kaartje te sturen vanaf een plaats in Nederland. De kaarten krijgen een plaats op de themawand en de plaats in Nederland wordt opgezocht. De eerste week wordt er gesproken over de wereld, de globe, de wereldkaart, de kaart van Nederland, Er wordt veel nadruk gelegd op de grenzen, de zeeën, het Noordelijk halfrond. Het vertrekpunt bij de kaart is de plaats waar de school staat; Purmerend.
We komen op verhaal:
We kijken naar de kijkplaat van de markt (uit het Kijkdoosboek De markt) en maken een woordweb over Hollandse lekkernijen. Daar maken we plannen voor 5 kramen. Ieder kind hoort bij een kraam. De kinderen gaan aan het werk; ze maken of verzamelen de producten, ze knippen vlaggen en geld. Ze bepalen de prijzen. Ook lezen ze een leestekst over het werken op de markt en maken ze een spelscript.
We spelen:
Het spel kan van start. Er wordt gesproken over de taal op de markt. Wat zeg je? Je maakt ook een praatje. Verder gaat het natuurlijk over de betaalhandeling. Het precies en juist betalen en het teruggeven van geld. Er komen boodschappenbriefjes in het spel.
We werken:
De kinderen krijgen leesteksten over de 12 provincies in Nederland. Bij elke tekst staat er een spellingscategorie centraal. Er wordt gekeken naar bijpassende filmpjes op School TV Land in zicht.
We verdiepen:
Aan het einde van het thema is er veel aandacht voor de Nederlandse Antillen en de rol van Nederland. Er worden boeken gelezen die passen bij Keti Koti.
We vieren:
Ouders worden uitgenodigd om op de markt mee te spelen.
We sluiten af een typisch Nederlandse lekkernij; poffertjes!
Thema het Vogelpark
We starten:
De kinderen krijgen bij binnenkomst in het lokaal een toegangskaartje voor een vogelpark. Ze gaan rondkijken en ontdekken op de kasten en vensterbanken vijf kleine hoekjes met een informatiebord en bijpassende boeken over een vogelsoort. Er staan vijf vogelsoorten; de pauw, de uil, de struisvogel, de flamingo en de pinguïn. Er is ook een plattegrond waar de kinderen de vogels intekenen.
We komen op verhaal:
De kinderen leren door boeken en teksten veel over de verschillende soorten vogels uit het vogelpark. Steeds staat een vogel een aantal dagen centraal. De kinderen knutselen de vogel ook en zo breidt het vogelpark zich uit.
We spelen:
De kinderen uit de huishoek brengen een bezoek aan het vogelpark. Ook de kinderen uit de huishoeken van de andere klassen mogen op bezoek komen. Er wordt een spelscript gemaakt voor de huishoek en voor het vogelpark. De kinderen in het vogelpark maken de hokken schoon en voeren de vogels.
We werken:
De kinderen lezen teksten over de vogels en maken aantekeningen, Ook de spelling wordt gekoppeld.
Naast een informatief boek is er bij elke vogel ook een verhalend boek.
Er is een werklijst met opdrachten voor de verschillende hoeken in de klas.
We verdiepen:
De kinderen kiezen een vogel uit de directe leefomgeving uit het boek Veren maken de vogel. Ze gaan op zoek naar informatie over het uiterlijk, de leefomgeving, het voedsel en andere specifieke weetjes. Ze noteren hun bevindingen op een aantekeningenblad.
Dit resulteert in een lapbook..
We vieren:
Ouders worden uitgenodigd voor een bezoek aan het vogelpark.
Kinderen presenteren hun lapbook aan elkaar.